
Frank Droste: van horecaondernemer naar directeur Kulturhus Borne
ZakelijkKulturhusen zijn ín. Een zichzelf respecterend dorp of stad heeft er één. Al dan niet onder de paraplu van de gemeente, bestaan ze veelal uit een bibliotheek, een theater, een filmzaal, een muziekschool en het gemeentehuis. “In de beginjaren allemaal met een directeur, een secretaresse en eigen huisvesting”. Dat dit anders kan, heeft Frank Droste (58) laten zien. Hij vertelt er graag over.
BORNE - Eigenlijk had ik een afspraak met de bibliotheekmanager, maar die bleek ziek gemeld te zijn. “Of ik het gesprek ook met de Kulturhusdirecteur wil” vraagt me de dienstdoende bibliotheekmedewerkster”. Ook prima, als we beiden een beetje improviseren moet dat lukken, zo spreken we ter plekke af.
Smak geld
Het was niet vanzelfsprekend dat Frank Droste’s carrière grotendeels plaats zou vinden bij de gemeentelijke overheid. “Ik ben getogen en geboren in Tubbergen. Mijn ouders waren de eigenaren van het bekende hotel Droste. Mijn zus zit ook in de horeca maar dan anders, zij gaf les aan de hotelschool. Mijn beide broers runden ook een horecabedrijf. We hebben overigens alle vier de hotelschool gedaan. Jawel, en ik heb nog een jaar op het conservatorium gezeten, gitaar en klarinet”.
‘Noe wee-j ’t wal’
“Op een gegeven moment zei mijn pa tegen mij ‘noe ku-j ’t wal’. Hij bedoelde dat ik maar eens een keer aan het werk moest. Ik kon niet achterblijven en startte ook een horecabedrijf in het Oude Raadhuis van Tubbergen. Ik leende een smak geld van de bank. En het ging goed. Ik heb het tien jaar gedaan en ben toen gestopt en heb het bedrijf aan mijn jongste broer verkocht. Een horecabedrijf runnen, is een 24/7 baan, altijd klaarstaan, altijd de vriendelijke gastheer zijn. Werken in de horeca lukt eigenlijk het beste als je jong bent, tussen de twintig en vijfendertig jaar”.
“Toen kwam er een vacature bij het Bornse Kulturhus. Ze zochten een manager exploitatie. Ik had dus al wel wat met cultuur en had me op de hotelschool bekwaamd in gastvrijheid, hrm-taken, commercieel zijn want de schoorsteen moet wel roken. Het exploiteren van zo’n Kulturhus moet te doen zijn. Inmiddels begaf ik mij ook op het terrein van het doorlichten van horecabedrijven en Kulturhusen. Dat was vooral op het gebied van hoe krijg je zo’n bedrijf weer rendabel”.
Minder geld, méér doen
“Je hebt in dit werk te maken met subsidiekranen. Die worden soms afgeknepen. Dan raakte men bijna in paniek. Dat moest sneuvelen, daar was geen geld meer voor. Ik zei dat als er minder geld komt, je gewoon méér moet gaan doen. Inverdienen noem ik dat. Dat houdt in dat we méér taken gaan oppakken, die leiden tot meer bezoekers en hogere inkomsten. Dat denkproces moest helemaal op de kop. Tuurlijk kreeg ik met mijn aanpak tegengas. Vooral in het begin, maar later zag men wel in dat dit beter was. Minder geld, maar we gaan méér doen. Dat werd de nieuwe aanpak. Die aanpak heb ik bij soortgelijke cases elders in het land ook doorgevoerd”.
“Je zag en ziet bij veel organisaties dat er een directeur is, een secretaresse en iemand die HRM taken doet, bij zowel de bibliotheek en de plaatselijk muziekschool. Dat hebben we allemaal niet meer. Er is nu één directeur voor Borne. De bibliotheken van Wierden, Borne, Dinkelland en Tubbergen worden aangestuurd door mijn collega Astrid de Kleijn, het Kulturhus en de Muziekschool door Frank Vennegoor. Moet je eens zien hoeveel mensen en geld dat bespaart. De genoemde gemeente zijn als plattelandsgemeenten vergelijkbaar met elkaar. Ze lezen bij wijze van spreken allemaal dezelfde boeken”.
‘Volgende wek’
“Ik kreeg het verzoek van een wethouder in het ‘ bibliotheek werkgebied’. Of ik de muziekschool er niet bij wilde doen. Hij vroeg me letterlijk: ‘Köj der dat nit biej doen” Ik antwoorde met ‘ja’. Blij verrast vroeg hij me wanneer ik dat zou doen. Hij viel bijna van zijn stoel toen ik zei ‘volgende wek’. In Twente zal het nog meevallen maar in het algemeen kun je zeggen dat deze hele sector minder arbeid productief is dan bijvoorbeeld de horeca. Overal te veel en veel dure mensen. Wij hebben het hier laten zien dat dat anders kan”.
De bibliotheken krijgen er heel wat taken bij. Wat vind je daarvan?
“Dat is een goede ontwikkeling. Vergeet niet dat de traditionele taak, het lenen van boeken en wat daar mee samenhangt nog maar vijfentwintig tot dertig procent van de beschikbare tijd en budget vergt. Daarmee is er tijd vrij gekomen voor het tegengaan van lage geletterdheid. Dat moet je in de kiem smoren met projecten als ‘de bibliotheek op school’. De woordenschatverrijking lukt als je leest, leest en nog eens leest. Voor de oudere MBO-ers maar HBO’s is de bibliotheek de third place waar ze zich ‘ophouden’. ||Je eerste plek is natuurlijk thuis, de tweede is je school of werk en de derde kan de bieb zijn. De bibliotheek is ook een plek waar niemand je iets vraagt en waar je mag zijn wie je bent.
“Voor ouderen zijn we het Informatiepunt Digitale Overheid, kortweg IDO genoemd. Met een legertje vrijwilligers helpen we mensen met het omgaan van het vele papierwerk dat een willekeurige burger krijgt. We helpen de mensen met de aanvraag van een DigiD. Verder zijn we aan het kijken of we bij elke bibliotheek in elke gemeente een platform kunnen opzetten met toegang tot muziekonderwijs, ook voor mensen met een wat dunnere portemonnee”.
Heb je zélf nog tijd om een boek te lezen?
“Eerlijk gezegd lees ik nauwelijks. Ik kom er ook niet aan toe. Ik schrijf liedjes, al dan niet in het dialect. Ik speel bij tal van gelegenheden minstens één keer per week, het hele jaar door. Als ik wat lees, zijn dat informatieve boeken. En we hebben een grote tuin, veel planten, veel beukenhagen. Dat kost ook veel tijd”.
Je praat zo mooi Noord-Oost Twents-plat
“Is dat zoo?”. Ik kom uit een drie generatie gezin, waarbij mijn ouders én grootouders en wij dus onder één dak woonden. Er werd thuis alleen maar plat gesproken. Onze jongste zoon Zep werkte al vanaf zijn 7e bij een boer hier in de buurt. Pas had ie zijn jubileum. Hij was inmiddels al twaalf-en een halve jaar werkzaam bij deze boer. En dat werd natuurlijk gevierd. Hij kán alleen maar plat”.
Tekst en beeld: Gerard Voortman












